Pagina's

zaterdag 19 maart 2016

Inspiratiegeld

‘Hoe lang schrijf je aan een boek?’ vragen jongeren me vaak tijdens lezingen in scholen en bibliotheken. Ik geef dan altijd twee antwoorden. Het eerste antwoord is: vier weken. Het tweede antwoord is: vijf jaar. Zo leg ik hen het verschil uit tussen het langzaam groeiende verhaal in mijn hoofd en de snelle schrijftijd aan mijn computer. Ik  schrijf elk boek eerst in mijn hoofd. Als het klaar is, moet ik het alleen nog tikken. Ik kan nogal snel tikken. En hard, weten zij die wel eens in mijn buurt zijn als ik aan het tikken sla.

Aan ‘IJs’, mijn eerste roman voor volwassenen, heb ik mijn hele leven gewerkt. Zo lijkt het toch. Net als vele andere auteurs bazuin ik rond dat mijn verhalen niet autobiografisch zijn, maar dat ze toch altijd weer over mezelf gaan. Herinneringen,  locaties, anekdotes, belevenissen en ontmoetingen uit het leven achter mij verzeilen altijd in mijn werk. Heel veel vakliteratuur is nog niet aan mijn werk besteed, maar in de recensies en voetnoten die over mijn boeken verschenen, treedt een woord op de voorgrond:  engagement. Ik ben er blij om dat de recensenten dat hebben opgemerkt. Vrijblijvend en lichtvoetig zijn mijn jeugdromans en kinderboeken inderdaad niet. Zij die aandachtig mijn boeken hebben gelezen, zal het echter ook al zijn opgevallen dat ik ook een eeuwige nostalgicus en hopeloze romanticus ben: mijn verhalen bulken van weemoed en heimwee.

In ‘IJs’ moet het engagement het afleggen tegen de nostalgie. Oh ja, in de roman trek ik zijdelings even ten strijde tegen onmenselijk en onzinnig personeelsbeleid. En ja, de hypernerveuze en zichzelf voorbijsnellende jonge gezinnen krijgen een veeg uit de pan. En omdat het hoofdpersonage een lerares in een middelbare school is, komen wel eens wat cynische of rebelse commentaren op het onderwijs op de lezer af. En hoofdpersonage Mats draagt in 1985 een T-shirt met een rode zon op een gele achtergrond. Nuclear Power? No thanks! Even later scandeert hij We want you, Daniela! tijdens een studentenbetoging. Wie herinnert zich overigens nog onderwijsminister Daniel Coens?
‘IJs’ is een onconventionele misdaadroman. Er treden geen verzuurde flikken, drankverslaafde rechercheurs, autistische inspecteurs of flirtende procureurs op de voorgrond. Oh ja, er worden moorden gepleegd en complotten gesmeed. Sublieme moorden en venijnige complotten zelfs. Maar de roman is vooral een relatieroman – zoals elke roman waar vrouwen en mannen, of vrouwen en vrouwen, of mannen en mannen in optreden.
Voor mezelf is de roman evenwel een wandeling in Nostalgica. Heimwee naar fantastische zomervakanties met families vol leeftijdsgenoten in een wonderlijk stukje Zwitserse Alpen. Heimwee naar heuglijke studentenjaren in de Brusselse Marollen (‘Ooit zal ik deze eenzame avonden in de diepe onderbuik van Brussel hard missen,’ hoor ik mezelf als 20-jarige nog denken). Heimwee naar de eerste lerarenjaren. Heimwee naar raclettekaas, naar Rock Torhout, naar Joe Jackson, naar de Falstaff, naar Vamos a la Playa, naar de Cabane des Aiguilles Rouges, naar Veerle, naar Claudia Cardinale. Heimwee naar Christal Alken in de jeugdclub en naar Algerijnse wijn van de wereldwinkel. Heimwee naar neen aan de kernraketten en naar ik wil werk werk werk.
De zomer van 1984  (nu word ik helemaal en echt Nostalgie - de radio dan)  was de zomer van mijn leven. De tijd zonder morgen, de zomer zonder zorgen. Living for the day, worries far away.
Ook in ‘IJs’ beleven de hoofdpersonages de zomer van hun leven. Een zomer die hun hele leven blijft achtervolgen. Net zoals ik me die zomer nog haarfijn herinner. Ik haast me evenwel om dit hieraan toe te voegen: ik heb geen moorden gepleegd of complotten gesmeed. Never. Op een bepaald moment houdt de werkelijkheid op en begint de fantasie. Bij de eerste moord dus.

‘Je bent me nogal wat inspiratiegeld verschuldigd,’ zei iemand van de zomer van 1984 me onlangs.
Ze heeft een punt. Auteurs maken al vele jaren flink amok omdat ze voor hun literaire werk onvoldoende gehonoreerd worden en omdat ze vaak buiten hun weten worden geciteerd, gespeeld, opgevoerd en gekopieerd. Auteurs staan al jarenlang op de barricaden omdat ze onvoldoende gehonoreerd worden voor de ontleningen van hun werk in openbare bibliotheken. Maar naast dit auteursrecht en leenrecht moet dringend ook een inspiratierecht worden ingevoerd. Ik wil hierbij een pleidooi houden voor een wettelijke regeling hieromtrent.
Vrienden, liefjes en minnaressen uit vervlogen tijd: neem de strijdbijl op. Jullie hebben recht op een billijke vergoeding voor de fantastische ervaringen die jullie lang geleden deelden met de schrijvers van nu.

IJs verschijnt in juni bij uitgeverij LetterRijn.

https://www.youtube.com/watch?v=-mMd6D1Gw1g

zaterdag 6 februari 2016

Hij heeft gezegd

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Zaterdag 6 februari

Als dit zo doorgaat, word ik toch nog een Streuvelskenner. Je kan niet blijven schrijven aan dat raam, dus sta ik nu en dan eens op en kuier door het huis, laat mijn ogen over de boekenruggen glijden, bekijk de vele prullaria, de schilderijen van Albert Saverys en Valerius De Saedeleer, de foto's van Streuvels, het meubilair van De Coene. Er is een tablet met een digitale rondleiding, maar die bekeek ik nog niet. Eerst wil ik het zelf ontdekken. Streuvels achterna, want ook hij 'en kostert in geen kapelletje, voelt tegenover niemand enige verplichting, en brengt zijn werk ter markt wanneer hij 't goedvindt'.
Ik snuister in de vele Streuvelsiana die het huis biedt. Ik bestudeer het met de jaren groeiende grondplan en word, met Streuvels, 98 jaar. In boeken, tijdschriften en biografieën maak ik kennis met de man van dit huis. Ik beleef zijn euforie en levensvreugde als hij in zijn Lijsternest komt wonen en ik voel de gelatenheid en de berusting van de erg oude man in het droomhuis van weleer. 

Toen hij pas in zijn Lijsternest woonde...
'Ik wandelde er door de kamers boven en onder als op een ontdekkingstocht; ik hoorde er vreemde geruchten en kreeg er voor 't eerst het onbekende de gevoel dat het alles en voor altijd van mij was - iets dat ik zelf uit het niet had opgewekt en verwezenlijkt - de aanvang van een nieuw bestaan - de eerste, blanke bladzijde van een onbeschreven boek. Van uit deze uitkijkpost zou ik nu het wisselende spel der seizoenen kunnen nagaan en er de mensen die er in leefden aan 't werk zien'.
In zijn huis op de heuvel kon de schrijver ongestoord zijn weg gaan, ontslagen van alle drukkende controle en lastige bemoeienis, 'leven en heersen als een koning in zijn rijk'.
Toen hij ouder werd...
'Vandaar liep het gesprek op het moeilijke van de toestand voor artiesten die aan de middelbare leeftijd gekomen, zich te oud voelen om met de moderne strekking mede te gaan, - die niet geloven aan de nieuwe leer, en 't vertrouwen in de hunne verloren hebben, - dezulken vegeteren, geraken uit de circulatie'.
Hij dacht met nostalgie terug aan de heroïeke jeugdjaren: 'We zijn geen knoeiers geweest ... we hebben deugdelijke waar op de markt gebracht'.

Hier en daar bots ik op een citaat dat mee het beeld van de norse en onvriendelijke oude man hielp verbreiden. Dit had hij bijvoorbeeld beter niet gezegd: 'Het toeval heeft gewild dat ik 't grootste deel van mijn bestaan heb doorgebracht op het banaalste dorp dat men uitdenken kan.' En dat hij ernaar verlangde om zo snel mogelijk de maanden van verliefdheid achter de rug te hebben en weer als gewone man aan het burgerleven te kunnen deelnemen, was niet bepaald Alida-vriendelijk. Zijn collega-literatoren, met wie hij nochtans vrij goede vriendschapsbanden had, kregen er ook eens van langs: 'Ik heb zopas een paar boeken gelezen, La Peste van Camus en Christus wordt opnieuw gekruisigd van die Griek. Hewel ik doe daarbij de overtuiging op dat heel ons zootje Vlaamse literatuur bestaat uit pretentieuze dilettanten. Wat hebben wij aan te beiden in de vreemde dat zij niet honderdkeer beter hebben?' Voilà, zeg dat Streuvels het gezegd heeft.

Ik geef vaak auteurslezingen in scholen en bibliotheken en tijdens de vragenronde komt altijd de vraag: 'Hoe lang duurt het om een boek te schrijven?' Ik weet dat de vraag komt en ik knoop er een vrij uitvoerig antwoord aan vast, dat het jonge publiek laat kennismaken met de werkmethode van een schrijver. Altijd een succesmoment in de lezing, zowel bij leerlingen als leerkrachten. Inleidend verras ik hen eerst met twee antwoorden. 'Het eerste antwoord op je vraag is: vijf jaar. Het tweede antwoord op je vraag is: twee maanden'. En dan leg ik die contradictie breedsprakerig uit.    
Dit zal ik hier niet doen, maar ik laat een laatste keer Streuvels aan het woord. Ik botste zonet op een citaat, dat kan dienen als antwoord op de vraag van leerlingen tijdens een auteurslezing anno 2016: 'Als ik me neerzet aan mijn schrijftafel, is het grootste deel van mijn werk al volbracht. Gedurende vier, vijf, zes jaar soms, is heel 't plan samengevoegd, veranderd, bewerkt geworden. Wanneer het dan beslissend af is, werp ik het neer op papier. Het is overdacht, gerijpt, de geestelijke arbeid voleindigd; er blijft maar de stoffelijke opbouw over. Dat duurt niet lang. Ik schrijf heel snel: mijn handschrift is meestal bloot van doorhalingen. De 'zin' heb ik geschapen tegelijkertijd met de persoon en hij vloeit uit de pen genoegzaam bewrocht.'


Lees ook: Karel
Lees ook: Selfie met raam

donderdag 4 februari 2016

Karel

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem.
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Donderdag 4 februari

Ik vermoed dat ik in het jaar 1977 voor de eerste keer zelf een boek kocht met mijn schaarse zakgeld. Dat boek kocht ik op de jaarlijkse boekenbeurs van mijn middelbare school. Ik kocht toen Kroniek van Stijn Streuvels, een vrij iconisch boek van Luc Schepens, dat voor de verdere studie van leven en werk van Streuvels onmisbaar bleek. Het boek verzamelt schijnbaar losse berichten, kleine anekdotes en snelle aantekeningen uit het leven van Streuvels, aangevuld met al even lukrake foto’s en willekeurige kaartjes en notities. Ik las het boek toen vermoedelijk min of meer in den duik, want je loopt er als twaalfjarige niet mee te koop dat je een boek over Stijn Streuvels hebt gekocht en dat ook nog eens leest!
Ik heb het boek meegebracht naar het Streuvelshuis – al was dat niet nodig, je vindt het hier ook rondslingerend in het huis. Thuis heb ik het boek onlangs een betere plaats in mijn persoonlijke bibliotheek gegeven (dat wil zeggen: het verhuisde van mijn bureau boven naar de woonkamer beneden). Na 40 jaar bedenk ik dat het misschien wel dat boek is dat me tot liefhebber der letteren, liefhebberend schrijver en, jawel, resident van het Streuvelshuis heeft gemaakt.

Ik heb de Kroniek ook opnieuw gelezen en botste al snel op de naam die ik me nog herinnerde van mijn lectuur in 1977. Een naam die heel veel opduikt in het boek en dus ook in het leven van Stijn Streuvels: Emmanuel De Bom. Streuvels schreef er voortdurend brieven naar, vroeg hem om raad, deelde vreugde en verdriet met hem. Geen boek of artikel verscheen vooraleer De Bom om raad werd gevraagd. De Bom – bibliothecaris in Antwerpen en zelf een begenadigd maar helemaal vergeten romancier, biograaf en essayist – was ook vaak te gast in het Lijsternest en maakte boottochtjes en reisjes met Streuvels. 
Hun vriendschap moet best bijzonder zijn geweest. Zijn eerste brief aan Emmanuel De Bom schrijft Streuvels op 13 juli 1896. ‘En nu we eens kennis gemaakt hebben voel ik wel trek U eens heel en gans te zeggen wie ik ben’. Daarna volgt met grote regelmaat een vloed aan brieven: ideeën voor nieuwe boeken, een publicatieplan, de keuze van de drukker, voorstellen voor artikelen en vertalingen, vragen om advies.
Bijzonder is dat De Bom niet nalaat de jonge Streuvels ook spontaan de weg te wijzen. Zo schrijft de wijze bibliothecaris op 28 juli 1896: ‘En om nu eens iets te zeggen dat me lang op ’t hart ligt, maar waarvoor ik gewacht heb tot ik vermoeden kon hoe gij mijn aanbod zoudt opnemen: Kom tot ons, beste kerel, kom tot ‘Van nu en straks’. Niets zal u daar binden. Gij kunt geheel u zelf zijn … We hebben behoefte aan een fris en open talent, en dat zijt gij.’ En Streuvels kwam tot hen, zeer tegen de zin van nonkel Guido, die op 5 oktober 1897 met de bisschop van Brugge sprak over hoe ze Frank Lateur weer uit die vrijdenkersbende konden krijgen.  
De Bom had nog meer goede raad voor de rijzende ster der Vlaamse letteren. Op 16 oktober 1896 schrijft hij: ‘Dat ge van de tijdschriften-lectuur gaat afzien verheugt me. Dat kan u niets dan goed doen. Intussen kunt ge Goethe en Shakespeare lezen.’ En op 8 november 1897: ‘Nu een voorstel, waaraan ik reeds lang denk. Hebt gij geen lust uw novellen te verzamelen en onder de titel ‘Lente’ b.v. te laten uitkomen onder de beminnelijke hoede der gemeenschap? Ge zoudt daarin alles verenigen wat u ’t beste denkt…’
Streuvels had De Bom nodig in het begin van zijn schrijverscarrière.
Lezend in de kroniek en snuffelend in de briefwisseling met De Bom, verzeilden mijn gedachten zopas bij hen die mij op weg hielpen. 

Het script van wat even later mijn eerste jeugdroman De hel in New York werd, verzeilde via een uitgeverij op de leestafel van Ed Franck. ‘Of ik even bij hem wou langsgaan,’ klonk het aan de telefoon. Trots, maar ook met lichtjes knikkende knieën, ging ik naar mijn afspraak met de door mij bewonderde auteur. In zijn keuken, terwijl hij een spiegelei bakte voor ons twee, fileerde hij mijn script. ‘Een erg sterk verhaal,’ zei hij, maar verder bleef er niks goeds meer van over. ‘Je zou het ook anders kunnen vertellen,’ zei hij. En toen zette hij me op weg om hetzelfde verhaal met parallelle verhaallijnen te vertellen. 
Een goddelijke ontmoeting voor mijn debuut als jeugdauteur, die omelet ten huize van Ed Franck.

Vertoevend in dit huis van bewondering wil ik een tweede standbeeld oprichten. Tijdens de publieksvoorstelling van De hel in New York (met parallelle verhaallijnen, uiteraard) voerde Karel Verleyen de gelegenheidstoespraak. Op zich betekent dat niks, want in die jaren kwam Verleyen vaak op de proppen met toespraken allerhande. Maar het is een mooie intrede als een monument je publiekelijk welkom heet in de club.
Ik kwam Karel Verleyen vervolgens vaak tegen onderweg. Ik hoorde zijn ergernis na een theatervoorstelling van Tom Lanoye, ik hoorde hem auteurs interviewen op de Boekenbeurs, we dronken samen een Belgische pint op de Vlaams-Nederlandse kinderboekendag in Baarle-Hertog, ik ontmoette hem tijdens lezingen en voordrachten. Op een keer vertelde hij me hoe trots hij was dat er eindelijk een roman voor volwassenen van hem zou verschijnen (Taurus). Signerend naast hem op de Boekenbeurs vertrouwde hij me toe dat de vrouw die net een boek van hem liet signeren, een oud lief van hem was. En het verhaal dat er bij hoorde...! Ik verwerkte het als verborgen knipoogje in mijn jeugdboek Gek van een eiland (p. 71). Karel en zijn eerste lief!
Ik ben er zeker van dat Karel en ik brieven naar elkaar zouden hebben geschreven als het wiel en de mail nog niet waren uitgevonden.
Ik denk nog wel eens aan Karel Verleyen. Hij was zo overweldigend in de wereld van de jeugdliteratuur op het einde van de vorige en het begin van deze eeuw. Hij schudde met het grootste gemak elk boek dat hij wou schrijven uit zijn mouw. Speels en grappig of ontroerend en aangrijpend, het maakte niet uit. Hij vertelde even makkelijk, inspirerend en enthousiasmerend over zijn werk. En hij liet niet na om mij, en ongetwijfeld vele anderen, te bevragen over nieuw werk. Met een schouderklopje als deugddoende aanmoediging.
Plots was hij er niet meer, hij overleed vrij onverwachts in 2006 na een strijd tegen kanker. Er kwam een einde aan de vloedgolf van boeken. De uitgeverij kwam nog met wat postuum werk op de proppen, er werden boeken heruitgegeven, er werd een jeugdboekenprijs met zijn naam opgestart. Maar de Vlaamse jeugdliteratuur was een van haar rotsen in de branding kwijt.  

In de Kroniek van Stijn Streuvels staat bij 14 april 1953: ‘Dood van Emmanuel De Bom’. Op Wikipedia lees je dat Karel Verleyen overleed op 18 november 2006. 



Lees ook: Selfie met raam

maandag 1 februari 2016

Selfie met raam

Van 1 tot 14 februari verblijf ik als 'writer in residence' in het Lijsternest, het woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. 
Ik wil er veel schrijven en sleutelen aan teksten. Ik zal er ook hier wel iets over schrijven. Want een heel klein beetje Streuvels zijn, het doet wat met een mens.

Maandag 1 februari

Het is 18u28 nu. Ik ben amper een uurtje in het huis van Streuvels en eigenlijk kan ik nu al naar huis. Ik heb gedaan (ik doe het terwijl ik dit schrijf) waar menig literatuurliefhebber van droomt. Ik ging het Lijsternest binnen en ging aan het raam zitten. Het beroemdste schrijversraam van de Nederlandse letteren. Ik keek door het panoramische raam, over het veld, naar de Tiegemberg. Ik nam mijn laptop en schreef.
Streuvels schreef hier zijn Vlaschaard terwijl de werkmenschen voor hem aan het raam voorbijkwamen, lees je wel eens. 'Ik had maar mijn venster open te zetten om te velden te zien bewerken en bezaaien, om de geelgroene vrucht te zien wassen, om de liedjes te horen der wiedsters en het spel te zien en de leute der slijting,' schrijft hij zelf. De waarheid is evenwel dat dit venster er in 1907, toen De Vlaschaard verscheen, nog niet eens was. Het kwam er vele jaren later, na een van de vele verbouwingen in het huis. Toen Streuvels nog maar pas in zijn Lijsternest woonde (hij kwam er in 1905), schreef hij aan een schrijftafel voor het raam naast de voordeur van het huis, met uitzicht op de golvende Scheldevallei in het oosten. De zon in zijn gezicht dreef hem naar een schrijfplek met een betere lichtinval - en een weidser panorama.   
Ik zit aan het beroemde raam te schrijven dus. Het hoogtepunt van mijn veertiendaagse is nu al voorbij en het moment van glorie duurde amper twee minuten. Mijn selfie met raam heb ik nu al. 

Wees gerust, ik keer nog niet huiswaarts. Er is nog zoveel te ontdekken. De schroom valt nog niet helemaal van mij af. Streuvels zelf was op elke plaats die ik betreed of bekijk in dit krakende huis. Elke stoel, elke tafel, elke zetel: het was ooit die van hem. Hij zat er, hij at er, hij las er, hij keek er, hij schreef er. Het huis hangt vol foto's, kunstattributen, bekende koppen en bustes. En er zijn boeken natuurlijk. Boeken boeken boeken. Als openbaar bibliotheekmens doet het raar om deze Streuvelsbibliotheek te verkennen. Ik mag de boeken in de volgestouwde rekken niet vastnemen omdat Streuvels zelf ze ooit heeft geplaatst waar ze nu staan. En ook omdat de bibliotheek nog niet is gecatalogiseerd. Daar word je als bibliotheekmens dan weer intriest van. Dat tot hiertoe niemand deze rijke bibliotheek heeft ontsloten! Maar er is hoop. Tom, de residentieverantwoordelijke, verzekerde me dat er werk van wordt gemaakt. Het zal een immens werk zijn maar het moet ook fantastisch zijn om dit te mogen doen. Voor een bibliotheekmens.
Morgen maak ik tijd voor wat het tweede hoogtepunt van mijn verblijf moet worden. Ik wil over alle boekenruggen gaan. Zien en weten wat Streuvels heeft gelezen. Genieten van de versierde ruggen. Het zal een wandeling door zowat een eeuw Vlaamse en Europese literatuur worden. Deze kennismaking zal veel langer duren dan twee minuten. De bibliotheek kronkelt zich door de vele gangen en kamertjes van het huis. Streuvels bouwde veel bij tijdens zijn leven. De bibliotheek groeide met het huis. Of was het omgekeerd?

En toch ben ik niet voor het raam en de boeken naar hier gekomen. Ik mag me niet laten afleiden. 'Nulla dies sine linea' hangt boven Streuvels' raam en nu ook boven mij. Geen dag zonder regel, geen dag zonder schrijven. Er moet een misdaadroman worden afgewerkt, er moet een kinderboek worden geschreven, er moet een oorlogsdagboek worden geredigeerd. En ik wil een Vlaamse jeugdroman aanpakken. Het idee is er. Streuvels zal me helpen, maar ik heb even wat tijd nodig om van mijn schroom af te geraken. 
Hij moest het eens weten... Ik las wat af de voorbije weken. Streuvels was lang niet de vrolijke gezellige opa die je omwille van zijn hoge leeftijd, groezelige haar en grappige snor zou verwachten. Hij was nogal nors en stuurde pottenkijkers van zijn erf. Hij had het niet echt voor de mensen van het dorp of de passanten langs de weg. En dan kom ik, klein klein schrijverke, oneerbiedig bezit nemen van zijn schrijverspaleis en keizerlijke raam. Moet ik me bij hem verontschuldigen? Hem op het hart drukken dat het mocht van het provinciebestuur? Hem beloven dat ik niet aan zijn boeken zal raken en dat ik verblijf in zijn tot studio omgebouwde schuur? Niet in zijn bed maar in een bed van de Molecule zal slapen? Dat ik niets zal meenemen naar huis?
Iets in mij zegt dat hij mij alleen mijn gang zou laten gaan als ik hem verzeker dat ik hem bewonder. Hem vertel dat ik veel van zijn boeken heb gelezen, dat ik naar hem opkijk en dat ik maar al te goed besef dat mijn geschrijf in het niets verzinkt vergeleken met zijn belangrijke boeken. 
Als 'IJs' in mei wordt gepresenteerd, schenk ik in gedachten het eerste exemplaar aan Stijn Streuvels. Als late verblijfsvergoeding. Kan hij het boek bijzetten in zijn bibliotheek. Als hij dat wil tenminste.

https://www.youtube.com/watch?v=ekrzLtCKMJg


Op de beroemde vensterbank zijn niet alle prullaria van Streuvels. Mijn kleinood moet me de komende dagen dicht bij mijn verhaal brengen.

dinsdag 27 oktober 2015

Gein van Hein

Eigenlijk zou ik boos op hem moeten zijn. Veel rancune voelen. Nooit over mijn ergernis heen raken. 

Toen we op de lagere middelbare school zaten, bekleedden we dezelfde positie als voetballer. We waren allebei leider van de verdediging. Libero. We wezen de vrijstaande mannen aan, dekten de zones af, gaven aanwijzingen aan de aanvallers voor ons, zetten de buitenspelval op. Maar toen er een schoolteam moest worden samengesteld, koos de schoolcoach steevast voor Hein. Ik kon niet tegen hem optornen.

En ook niet tegen die vijf andere libero’s die toen op het Sint-Pauluscollege zaten. Op onze school zaten leerlingen van RC Lauwe, SV Wevelgem, SK Gullegem, SV Moorsele en RC Bissegem. En al de libero’s van die ploegen waren beter dan ik. Ik nam met een brede glimlach mijn plaats ver naast de bank in. Eerst zij, dan ik. Van al die libero's was ik de laatste man.
Maar ook die andere libero’s gaf Hein (White Star Lauwe) het nakijken. Hij was de patron van de ploeg. Hein ging prompt centraal in de achterlinie staan, hield alle aanvallen van de andere ploegen af en zette de eigen aanval op. Ons schoolteam won nogal wat matchen en dat was niet alleen Heins verdienste. Er zat een toekomstige Rode Duivel in het team. Lorenzo was niet zo charismatisch en dominant op het veld. Maar hij was wel de betere voetballer. Links achteraan maakte Rudy het gouden trio rond. Ook hij kwam later aan de bak in de eerste klasse - bij KV Kortrijk en bij Sint-Truiden. 
Drie toppers die op hun zestiende al in het eerste elftal van White Star Lauwe – ooit Klein Anderlecht – speelden. En zij waren niet eens de allerbesten. Vooraan in de spits stond Bart Maes. Nooit van gehoord? Maeske was zestien toen hij met Club Brugge mee op voetbalstage ging naar Japan. Jan Ceulemans was onder de indruk: het grootse talent dat hij ooit op een Belgisch voetbalveld zag, orakelde Caje. Hij zal gelijk hebben gehad. En toch verdween Bart in de anonimiteit. Geen idee of hij na de beloftenploeg van Club Brugge nog ergens aan spelen toe kwam.

Wat ik me herinner van Hein… 
Je zou het hem nu niet meer nageven, maar Hein was ontzettend snel. De sportleraar van toen – Tarzan heette hij en toen Hein vorig jaar als ereburger van Menen werd ingehaald, stond hij op de eerste rij te pronken toen Hein hem de beste leraar die hij ooit had, noemde – was nogal een atletiekfan en Hein schitterde op het gravel van de atletiekpiste van de school. Ik denk niet dat er hem iemand kon kloppen op de 100 meter sprint. De 100 meter sprint! Hein Vanhaezebrouck!
Hein was ook een groot supporter, hij droeg in de winter nogal opzichtig een sjaal en een muts van zijn favoriete voetbalclub. Alleen ben ik in de loop der jaren vergeten welke kleuren die sjaal had. Ik twijfel tussen blauw-zwart of paars-wit. Ach, het is een detail – een ploeg is een ploeg. Hetzelfde probleem heb ik met Lorenzo. Ook hij was in die middelbare school fan van een van de twee clubs. In zijn actieve voetbalcarrière bevestigde hij mijn twijfel door om beurt bij elk van de twee genoemde ploegen te gaan spelen.
Hein bracht het niet tot in het Jan Breydel- of het Constant Vandenstockstadion. Hij leidde de verdediging van KV Kortrijk, van Sporting Lokeren en van Racing Harelbeke in de topjaren waarin die ploeg vlotjes in eerste klasse meedraaide. 
En dan werd Hein trainer. Uiteraard eerst in KV Kortrijk, een half seizoen onbegrepen in Racing Genk, dan weer KV Kortrijk. Vorig jaar maakte hij zich onsterfelijk in AA Gent. 
Hij ziet er een beetje als een buffalo uit, vind ik. Maar ik ben trots als ik Jan Mulder, Johan Boskamp en Marc Degryse de loftrompet hoor blazen over Vanhaezebrouck. Ik ben trots als ik Hein in Valencia zijn dappere Gentenaren aanwijzingen zie geven. Van niets of niemand onder de indruk. Hij maakte zelf indruk op de Spanjaarden langs het veld en op de Europeanen voor hun televisie. Neen, deze trainer speelde niet eerder bij Anderlecht. Hij speelde ook niet voor het nationale voetbalelftal. Wel voor White Star Lauwe  en voor het schoolteam waarin ik ver naast de bank zat.

Natuurlijk blijft hij geen trainer van AA Gent, weet Filip Joos. Het is alleen nog wachten op een telefoontje van een échte topploeg, zegt Peter Vandenbemt. Anderlecht is achter de schermen al aan het hengelen. Marc Wilmots kan zich geen misstappen veroorloven want Hein weet nu al hoe hij het verzameld Belgisch voetbaltalent zou aanpakken en beter zou doen spelen. Hazard en Debruyne in dezelfde ploeg? Hein schaft es.
Maar ook Engeland en Nederland lonken. Natuurlijk lonkt Nederland. Wat ik me van Hein-de-schoolvoetballer nog herinner: hij gaf altijd aanwijzingen. Arm ver vooruit, uitgestoken hand, gestrekte vinger. Dáár moet je zijn. Dié man moet je pakken. Dáár komt mijn voorzet. Iedereen weet aan wie de Hollanders denken als ze een wijzende voetballer op het veld zien. 
Toch maar niet beginnen roken, Hein.

De pretoogjes van Hein als hij geamuseerd een vlijtige voetbalreporter van repliek dient. Hij had ze toen ook al… 
Na de lagere middelbare school ging ik net als hij naar een school in Kortrijk. Een grote school en ook een hoge school - dat laatste blijft niet duren. Omdat we discipelen van Tarzan waren, werden we door een sportleraar die om een door mij nooit achterhaalde reden Madeleine werd genoemd als topatleten beschouwd. Voor mezelf was dat veel te veel eer, maar Rudy en Hein deden hun titel al snel alle eer aan. Naast atletiek en krachtbal was handbal de derde favoriete sport van mijnheer Tarzan. Ons schoolteam – weer keek ik toe, ver naast de bank gezeten – won de toen prestigieuze Kardinaalsbeker tegen scholieren die doorgaans een jaar ouder waren dan die van onze ploeg – wij hádden maar tot het derde jaar. Tijdens de eerste sportles in de nieuwe school in Kortrijk leerde de nieuwe sportleraar ons de basisregels van het handbal. Hij schreeuwde altijd zo! Hoe we een aanval moesten opzetten. Zij – die van Kortrijk – keken en luisterden met open mond, maar wij – die van Tarzan – konden een glimlach niet inhouden. Wij wisten en konden veel beter. De pretoogjes van Hein waren wat te opvallend. Te grijnzend. Te geamuseerd. De sportleraar voelde zich uitgedaagd en schreeuwde Rudy en Hein naar voor. ‘Toon het ons maar eens als je denkt dat jullie het beter kunnen! Probeer maar eens zo’n pas aan elkaar te geven! En weet je wat!? Ik ga zelf in het doel staan! Dan gaan we wel eens zien of het jullie lukt een ordentelijke aanval op te zetten! En of je in het doel kunt werpen! Probeer maar eens! En stop met grijnzen!’
Hij ging in doel staan. Hein en Rudy namen hun posities in. Die van Kortrijk keken gefascineerd toe – dat zouden ze later in hun Guldensporenstadion nog vaker doen. 
Een snellere en snedigere handbalaanval heeft niemand ooit gezien. Hein naar Rudy, de korte sprint, Rudy weer naar Hein, de sprong, de worp, de bal zoefde door de ruimte…
Neen, het werd geen doelpunt. Heins worp spatte te pletter op het doelhout, de goal trilde even en viel toen tegen de muur achterover. Pas nu zag mijnheer Madeleine wat er was gebeurd. De bal had hij niet gezien. Dat zijn goal achter hem in de prak lag, wel. En de pretoogjes van Hein natuurlijk.
De volgende les was er coopertest.



woensdag 23 september 2015

Perez de Cuellar

Bijna een kwarteeuw geleden lag al mijn hoop in de handen van secretaris-generaal Perez de Cuellar van de Verenigde Naties. Hij alleen was toen nog in staat om mijn verbittering om het nakende einde van de wereld te laten verdwijnen. De bommen van Bush lagen klaar om Irak van de wereldkaart te vegen. Maar Saddam stelde zijn scuds op scherp zodat hij tijdens zijn verzinken in het zand nog snel Israël en de rest van  de wereld mee naar de verdommenis kon helpen.
En ik? Ik bleef maar schuren en schilderen.

Er was een ultimatum. Volgens resolutie 660 van de Veiligheidsraad moest Irak zich voor 15 januari 1991 onvoorwaardelijk uit Koeweit terugtrekken. Als dat niet gebeurde, zou de internationale coalitie de oorlog tegen het ongehoorzame land inzetten. Saddam Hoessein wreef zich in de handen en streek vaderlijk door de haren van gegijzelde jongetjes in Koeweit. Nog even en de wereld zou kennismaken met zijn vreselijke massavernietigingswapens. Ali Chemicali zou zijn giftige dampen over de hele wereld laten neerstrijken. Meer dan 1 miljoen Iraakse soldaten stond klaar om de Westerse coailtie in de pan te hakken. Mosterdgas, antrax, waterstofcyanide en andere bacteriële giffen zouden de soldaten van de coalitie aan een vreselijke dood toen sterven. Eenmaal de soldaten overwonnen, hield niets nog de bloeddorstige Iraakse soldaten tegen om de hele Arabische wereld te veroveren en in één en dezelfde tijd Europa onder de voet te lopen. De Derde Wereldoorlog zou een korte oorlog zijn.

Ik volgde de berichtgeving op de voet in die winter van 1991. Ik hoopte dat de zoveelste bemiddelingspoging van Perez de Cuellar de onverbiddelijke Hoessein alsnog zou bekeren. Dat een nieuw dreigement uit Amerika Hoessein en de zijnen op andere gedachten zou brengen. Dat de vreselijke generaal Norman Schwarzkopf de Iraakse soldaten schrik zou inboezemen. Dat de Amerikaanse precisiebommen Hoessein uit zijn paleisbunker zouden slingeren. Dat de dreiging van Belgische F16’s de paniek in het Midden-Oosten zou doen inslaan. Dat Gorbatsjov het zou oplossen, de paus, Bono of Wilfried Martens. Ik hoorde hen allen vredesboodschappen en verzoeningspogingen naar voor brengen. 

Urenlang was ik in januari 1991 aan het werk om de oude slaapkamer met de charmante ingebouwde kasten om te toveren tot een vrolijke kinderkamer. Ik had ook een ultimatum. Midden april zou de baby er zijn. Ik moest voortmaken. De brander die de oude verflagen van de houten kast moest helpen verdwijnen, was mijn hoogsteigen Scud-raket. Tegen beter weten in. Ik maakte de vlam groter telkens als een nieuw extra-journaal verslag uitbracht van een zoveelste falen van een zoveelste bemiddelingspoging. De brander werd een vernietigingswapen toen op 15 januari het ultimatum verstreek. En het trilde in mijn handen toen op 17 januari de luchtaanvallen werden aangekondigd. Ik zette mijn wapen af en ging beneden naar CNN kijken. Naar Operatie Desert Storm. Werken aan een kinderkamer was ineens zo wezenloos. Intriest en dom. Ik hoopte op een mooie wereld. En dan kreeg ik dit.

Alles kwam goed toen zoals alles altijd goed komt. Zo’n zeven weken volgde ik elke avond het verloop van de oorlog terwijl ik me krampachtig verdedigde met mijn brander, mijn spatel, mijn schuurmachine en mijn schuurpapier. De angst dat mijn dochter nooit levenslicht zou zien, was groot. Maar ik gaf niet op. De kast was volkomen krasvrij en gladgestreken toen president Bush op 27 februari het staakt-het-vuren afkondigde en met lieflijke pastelkleuren geverfd toen mijn dochter die een zoon bleek te zijn werd geboren. In een wereld vol kleur, vrede en vertrouwen.
Sinds gisteren is de kamer leeg. Mijn zoon ging een paar straten verder wonen met zijn Aude. Hier zitten we nu met die vrolijke kleuren (en die posters van Avril Lavigne en Blink 182 en The Offspring en die affiches van Groezrock en Graspop en als je 't mij vraagt Chiro).
Deze bom valt minstens even hard als die op 17 januari in Bagdad.

https://www.youtube.com/watch?v=2cMPj58Vrp8